zondag 12 juni 2016

Eén woord en je geneest

 
Kan één woord of althans één uitspraak, één inzicht, één moment van helderheid iemand genezen? Dat zouden we dan wel een wonder mogen noemen. In de praktijk zal het er vaak van afhangen, wie het verlossende woord zegt. En of degene die het hoort erin gelooft. Kortom: van de reactie van de persoon in kwestie zelf...

 
Bill Wilson
Een indrukwekkend voorbeeld van een wonderlijke omwenteling in de richting van genezing is het verhaal van Bill Wilson, de oprichter van de Amerikaanse AA (Alcoholics Anonymous). Al jaren zat hij in een psychische crisis, of zelfs een spirituele, zoals men tegenwoordig liever zegt. Hij worstelde met zijn drankverslaving en werd daar zonder veel succes voor behandeld, toen hij zich voor de zoveelste maal met een zware kater en dito depressie aantrof op een bed, in een kamer die ook al in deplorabele omstandigheden verkeerde. In totale wanhoop schreeuwde hij uit: ‘Ik zal alles doen, wat dan ook! Als er een God is, laat Hij zich dan laten zien!’ Onmiddellijk zag hij een helder licht, kreeg een extatisch gevoel en hoorde een ontzagwekkende stem die zei: ‘JE BENT EEN VRIJ MENS’. Daarop kwam hij in een serene stemming, van vrede, stille overgave.
Wilson dronk sindsdien geen druppel meer en richtte korte tijd later de AA op, waarin men elkaar aan de hand van een ‘Twaalf stappenplan’ helpt om van de drank af te komen. Onderdeel van dat plan is de uitdrukkelijke erkenning dat je dat zonder Gods hulp niet redt.
Eenduidig zijn
Was het God zelf, die zich aan Bill Wilson liet zien en horen? Het zou jammer zijn om over die vraag te twisten, want vóór je ’t weet gaan we dan aan de essentie van dit wonderlijke gebeuren voorbij. Die essentie is naar mijn gevoel dat Wilson in zijn wanhoop totaal was. Zijn kreet was geen halfbakken poging van zijn ego om de hemel uit te dagen. Hij probeerde niet maar wat; nee, hij was als het ware heel, één, in zijn ontreddering – hij smeekte oprecht. Als wij ergens totaal in zijn, eenduidig met ons hele wezen, hier en nu, dan zijn er wonderen mogelijk. Ook als het hier en nu één en al ellende is.
Misschien zou je zelfs kunnen zeggen dat het wonderlijkste van dit hele gebeuren niet datgene is wat Wilson zag en hoorde, maar dat hij er van ganser harte voor open stond. Meestal zijn we immers op de een of andere manier innerlijk verdeeld, zelfs of juist wanneer we het moeilijk hebben. We willen het één maar misschien toch ook het ander, we wikken en wegen, proberen iets maar werken onszelf tegelijkertijd tegen – en blokkeren daarmee zo’n radicale omwenteling. Veel gesmeek is toch nog een poging om iets af te dwingen, je zin te krijgen of juist ergens omheen te zeilen, en dus iets van je ego in plaats van totaal, met ons hele wezen.
Het Twaalfstappenplan van de AA - ook toegepast bij drugsverslaving - wordt terecht omschreven als een spiritueel programma. Het stemt qua intentie overeen met wat er in de aloude Veda’s uit India over God staat: ‘Om aan kommer en zorg een einde te brengen zonder Hem te kennen, is als een poging, de hemel met riemen te binden’. In haar boek Naar nieuwe ruimten van bewustzijn interpreteerde  mijn meditatieleraar Hetty Draayer dit als: ‘Alle leed eindigt alleen door ’t kennen van God’.
‘Zeg mij één woord….’
Hetty Draayer
Als we de Bijbel mogen geloven was Jezus vóór alles een groot genezer. Door de tijden heen zijn er allerlei beelden over hem heen gegooid , van ‘Zoon van-’ (wat je daar ook maar onder wilt verstaan) tot en met ‘groot magiër’, enzovoort - maar zelfs het moderne idee dat hij een ‘wijsheidsleraar’ was doet hem naar mijn gevoel nog tekort. Hij belichaamde een éénzijn met- en overgave en trouw aan ons wezen zoals de geschiedenis maar zelden heeft gekend, en was daardoor genezend aanwezig. Geloof het of niet, blijkbaar was één woord of gebaar van hem soms genoeg. Zelfs als een ander alleen maar zijn mantel aanraakte ging daar volgens de verhalen een genezend effect van uit.
Het kan best zijn dat de overlevering af en toe overdrijft, en het postmoderne bewustzijn relativeert graag alles wat los of vast staat. Beurtelings is Jezus tot gigantische proporties opgeblazen en dan weer gekleineerd, en dat moet – getuige de Bijbelverhalen - al tijdens zijn leven in Palestina/Kanaän zijn begonnen. Tegenwoordig wordt soms met dezelfde vanzelfsprekendheid het historisch bestaan van Gautama de Boeddha aangenomen en dat van Jezus de Christus in twijfel getrokken.
In de Bijbel vind je intussen kleine anekdotes die de evangelisten vast niet helemaal uit hun duim hebben gezogen. Neem bijvoorbeeld het verhaal over ‘de hoofdman over honderd’ in het evangelie naar Mattheus. Een verwijzing hiernaar is nog steeds terug te vinden in de katholieke eucharistieviering. Voordat de gelovigen de hostie krijgen, wordt er in koor gezegd: ‘Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt; maar spreek slechts één woord en ik zal gezond worden’ (of: ‘… spréék en ik zal gezond zijn’, of: ‘… zeg één woord en ik zal genezen’).  

'Zoals je gelooft'
Aan die belijdenis kleeft iets onaangenaams dat het moderne ego zich niet graag laat aanleunen, net als aan een andere spreuk die tijdens een katholieke mis in koor klinkt: ‘ ’t Is mijn schuld, ’t is mijn schuld, ’t is mijn grote schuld’ (had men het maar gelaten bij ‘Mea culpa, mea maxima culpa’ – dat kon je nog zeggen zonder dat je wist waar het over ging). 
De oorsprong van het ‘Heer, ik ben niet waardig…’  ligt in het verhaal over een Romeinse militair, die ‘hoofdman over honderd’, die Jezus vroeg om genezing voor zijn huisknecht. Die lag zwaar ziek thuis, te ziek om naar Jezus toe te komen toen hij te Kapernaüm arriveerde. Jezus beloofde dat hij naar het huis van de hoofdman zou komen om zich over de knecht te ontfermen. Waarop de Romein zei: ‘Heer, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.’
In de ene Bijbelvertaling staat het weer het een beetje anders dan in de andere, maar het komt erop neer dat Jezus zich verwonderde over de kennelijk rotsvaste overtuiging van de Romein, die hem bezwoer dat zijn knecht wel zou genezen als Jezus dat ter plekke tegen hem, zijn baas, zou zeggen; zijn personeel deed immers altijd wat hij de mensen zei, en daarom verwachtte hij dat hij de genezende boodschap alleen maar hoefde door te geven. ‘Zo’n geloof heb ik in het hele land nog niet gevonden,’ zei Jezus ongeveer. ‘Ga maar naar huis, het komt in orde zoals je gelooft.’ Volgens Mattheus bleek later dat de knecht op het zelfde moment genas.
Wezenlijke vrijheid
De reden om deze anecdote als ’t ware in de mis aan te halen zal liggen in de troost die ervan uitgaat voor de resterende kerkgangers van vandaag: Jezus is weliswaar niet meer fysiek bij ons maar kan ook op afstand genezen, door één woord, één uitspraak of gebaar, één intentie. De gelovigen kunnen het jammer vinden dat ze zich ‘niet waardig’ moeten achten maar dat is alleen maar de bescheidenheid waarmee die Romeinse hoofdman om genezing op afstand verzocht. Een bescheidenheid die niet alleen zijn ego maar ook het onze past, een openheid om te kunnen ontvangen, een onverdeelde bereidheid en oprecht geloof. Het gaat erom, niet teveel te vragen maar tegelijkertijd wèl voor een wonder open te staan.
Het leven is één groot wonder....
Mijn meditatieleraar Hetty Draayer was protestant opgevoed maar had, zei ze eens, ‘een katholiek hart’. In één van onze gesprekken citeerde ze het ‘zeg mij één woord en ik zal genezen’, en voegde daar aan toe: ‘Dáár geloof ik in!’ Ze bedoelde dat heel ruim: niet alleen één specifiek woord of gebaar maar ook één inzicht, één klank, één gerichte intentie kan de natuurlijke doorstroming van je energie herstellen en zodat je gezond, heel en één wordt.
Bij dat ene inzicht kan het bijvoorbeeld gaan om het besef, met welke specifieke gebeurtenis in je verleden een blokkade in je energiehuishouding samenhangt. Of, zoals bij Bill Wilson, het besef van de wezenlijke vrijheid die je hebt, ondanks de verslaving waaraan je lijdt. 

Zijn wonderen bovennatuurlijk?
Was het nu een wonder, de genezing van de knecht die thuis ziek lag? In de Bijbel worden nog veel meer genezingen aan Jezus toegeschreven, en deze was misschien niet eens de meest wonderlijke – denk maar aan de opwekking van Lazarus uit de dood. Je kunt erover twisten of hij nou helemaal- of alleen maar een béétje dood was, maar het blijft een sterk verhaal, hoe je dat ook opvat.
Er lijkt me geen bezwaar tegen om van een wonder te spreken zolang we daarmee bedoelen dat we ons over een of ander gebeuren verwonderen – dat het ons verbaast, bijvoorbeeld omdat we iets anders verwacht hadden, en misschien omdat iets ons van ontzag vervult. Dat zou ons kunnen sterken in het onverdeelde geloof dat nodig is om een genezend woord (klank, gebaar, intentie, inzicht) effect te laten krijgen. Niet voor niets moet Jezus meerdere malen hebben gezegd: ‘Uw geloof heeft u genezen’, of woorden van gelijke strekking.
Maar het woord ‘wonder’ wordt ook wel gebruikt om iets aan te duiden wat van bovennatuurlijke aard zou zijn. Daar gaan we naar mijn gevoel de mist in, want de term ‘bovennatuurlijk’ suggereert dat er iets gewoons is wat zich verstandelijk zou laten verklaren, en daarnaast of daarenboven iets wat we niet begrijpen omdat het de normale natuurlijke wetten en regels zou doorbreken. Dat geloof ik nou net niet.
De verborgen samenhang
Ik geloof iets heel anders: dat we in één groot wonder leven. Met een variant op de kreet ‘alle geloof is bijgeloof’ ben ik geneigd tot de waarschuwing ‘alle verstand is misverstand’. Sinds ik in 1980 na mijn wetenschappelijke studie de innerlijke weg insloeg hou ik steeds minder voor onmogelijk. Het is maar net wat je gelooft, en in het verstand geloof ik steeds minder.
Het wonderlijkste van alles is, wat mij betreft, dat je de uitspraak ‘we leven in één groot wonder’ ook kunt omkeren: er voltrekt zich een groot wonder in ons, door ons heen. Want wij zijn zelf datgene waarin dit allemaal gebeurt, en wie niet aan zijn of haar verstand vastzit kan dat ook ontdekken.
Als de Veda’s en de AA stellen dat we ‘God moeten kennen’ om onze zorg en kommer te beëindigen, dan wordt daarmee niet bedoeld dat God buiten ons zou zijn. De Veda’s stellen immers ook: ‘God, die één is, verborgen in de diepte van elk wezen, is de ziel van alles’. Bill Wilson zag een licht en hoorde een stem uit de diepte, en ‘binnen’ en ‘buiten’ waren één.
Wonderen zijn geen inbreuk op de kosmische orde, geen ingreep van iets of iemand die boven de natuur staat, maar een uiting van de verborgen samenhang die ten grondslag ligt aan al wat is – de of het Ene. Vandaar dat één noodkreet vanuit het diepst van ons wezen kan worden gevolgd door een genezend antwoord vanuit diezelfde diepte. Als wij er helemaal voor open staan.

donderdag 25 februari 2016

ZACHTMOEDIGEN ZULLEN DE AARDE ERVEN

Harde krachten roepen harde tegenkrachten op. Daarom kunnen alleen de zachte krachten winnen – als die harde eenmaal zijn uitgewoed. 

Aan deze oude wijsheid, ook verwoord in de Bergrede, worden we in onze huidige tijd hardhandig herinnerd. Ondanks de bijna dagelijks herhaalde beelden van afschuwelijke wreedheden kunnen we het beste terughoudend zijn met beschuldigende vingers, en de hand in eigen boezem steken.


In de zeventiger jaren van de afgelopen eeuw, toen ik met een vriend op vakantie was in Marokko, gingen mijn ogen open voor de losgeslagen indruk die de westerse (Europees-Amerikaanse) cultuur - met haar uit de hand gelopen egocentrisme en consumentisme - wel moet maken op mensen in niet-westerse culturen. Het eerste vege teken van westerse invloed in dit overwegend islamitische land zagen we al vanaf de boot waarmee we vanuit Spanje de Marokkaanse kust naderden: tussen de boomtoppen op de beboste heuvels rees een gigantisch reclamebord voor Pepsi op. Dergelijke dranken zijn daar begrijpelijkerwijs populair, vanwege het officiële taboe op alcohol.

Indringender werd het culturele contrast een paar dagen later, toen we overnachtten in een Berbers bergdorpje waar tot onze verrassing een hotel was. ’s Avonds bleek het dorp grotendeels in duisternis gehuld maar maakten we niettemin een wandeling langs de eenvoudige, hier en daar ronduit armoedige huizen, schuren en werkplaatsen. We passeerden bijbels aandoende taferelen, zoals dat van mannen in lange gewaden die bij het spaarzame licht van een kaars of, iets moderner, een petroleumlamp zaten te kaarten tussen strobalen en losliggend hooi. Alleen middenin het dorp was elektrisch licht. In het lokale theehuis brandden tl-buizen en keek een aantal mannen naar de televisie. Het was een cultuurschok om te zien wat ze zagen: een aflevering van de Amerikaanse serie Dallas.

Larry Hagman als JR in 'Dallas'
Onwillekeurig vroeg ik me af wat deze kijkers van ons zouden denken – ik dacht ‘ons’ omdat wij in Europa bijna alles van de Amerikanen overnemen en dus gemakkelijk door ‘derden’ over één kam kunnen worden geschoren. Natuurlijk is zo’n TV-serie niet representatief voor de Angelsaksische cultuur - het is fictie, waarin een hoop wordt geromantiseerd en het kwaad uitvergroot – maar zoiets levert beelden op, niet alleen de beelden die worden vertoond maar ook de beelden die kijkers eraan overhouden. En zulke beelden lijken soms machtiger dan de werkelijkheid. Bovendien lopen fantasie en realiteit in de Verenigde Staten soms moeiteloos in elkaar over, zoals blijkt uit het feit dat een filmster er gouverneur van een staat kan worden, of zelfs president. Inmiddels kan ook in Europa een komiek op z’n minst in een parlement komen, en in Nederland zelfs tot verwildering van de politiek leiden.



Niet langer verbonden

Tegenwoordig heeft niemand nog TV-programma’s nodig om beelden te krijgen van andere volkeren, culturen en religies – fictie noch officieel nieuws of documentaires. Door het steeds maar toenemende virtuele contact via internet c.q. sociale media buitelen de beelden over elkaar heen, en iedereen kan op zijn of haar beeldscherm(pje) uitzoeken wat in de eigen kraam te pas komt. Sommige beelden corrigeren andere misschien enigszins, maar stereotypering van- en bevooroordeeldheid jegens hele groepen is alleen te doorbreken door persoonlijke ontmoetingen, door individuele omgang met elkaar. En precies dááraan ontbreekt het op grote schaal, niet alleen omdat er erg veel mensen zijn, van wie de meesten bovendien te ver weg zitten om ze lijfelijk te ontmoeten, maar ook omdat menigeen zich in eigen contreien overwegend beperkt tot de omgang met ‘ons soort mensen’.
Bas Heijne wees begin dit jaar in een artikel in NRC-Handelsblad, onder de kop Nederland, niet langer verbonden, op de onvrede waarmee veel mensen al jarenlang rondlopen: een tekort aan gevoel van eigenwaarde, een heftig gevoel van miskenning, niet gezien worden, volgens hem ook de voedingsbodem voor ‘de rellerige protesten tegen de opvang van vluchtelingen, de weerklank die de bewust opgeklopte verzetsretoriek van Geert Wilders vindt, de hysterische ondergangslyriek in de sociale media’.

‘Waarom,’ vroeg Heijne, ‘lopen de emoties zo waanzinnig hoog op? Waar komen die overspannen hyperbolen vandaan? Waarom radicaliseren opvattingen zo snel?’ Een antwoord op deze vragen vond hij bij de Amerikaanse filosoof Matthew Crawford: als mensen te weinig onderlinge verbondenheid met anderen voelen ‘begint ieder van ons zichzelf te zien als de vertegenwoordiger van iets algemeens. We brengen dit ‘vertegenwoordiger zijn’ mee in onze ontmoetingen met anderen. Dit vervlakt onze relaties en maakt ze abstracter.’ Zodoende, stelde Bas Heijne, kunnen mensen zich ontwikkelen tot prototype van de boze burger die het niet langer pikt, z’n vertrouwen in de politiek kwijt is, enzovoort: in alles anti. ‘In plaats van verbondenheid is er enkel nog vervreemding.’



De andere soort vervreemding

Er zit iets paradoxaals in de visie van Crawford en Heijne: we zouden elkaar als individuen tegemoet moeten treden – in plaats van de ander te zien als lid van een (andere) categorie – maar tegelijkertijd draait het streven naar de wenselijke verbondenheid gemakkelijk uit op groepsvorming, categorisering dus, en al gauw ook op vooroordelen en antigevoelens jegens mensen die we tot andere categorieën rekenen.
Onder deze omstandigheden blijven we gemakkelijk gevangen in de o zo menselijke neiging om anderen te zien en te behandelen als vertegenwoordiger van iets, en dat is dan nogal eens iets wat we verwerpen – Heijne noemt als voorbeelden ‘de regent, de populist, de Gutmensch, de tokkie, de radicale moslim, de wereldvreemde elite, de onbestuurbare burger.’ Individuen ‘harnassen’ zichzelf met het gelijk van hun eigen groep, en het risico bestaat dat je op jouw beurt als groepslid wordt behandeld en eventueel ook verworpen. Volgens Bas Heijne zou je hieraan de neiging kunnen ontlenen om je ook nog te gaan gedragen naar het beeld dat anderen van je hebben, en zo houdt deze vicieuze cirkel zichzelf dan in stand.
Wat ik, voor zover ik het met Heijne en Crawford eens ben, in deze analyse mis is de andere soort vervreemding waarvan tegelijkertijd sprake is: zelfvervreemding. De gesignaleerde onvrede, de gevoelens van miskenning, die waanzinnig hoog oplopende emoties, de geradicaliseerde opvattingen en het boze burgerschap moeten minstens zoveel te maken hebben met vervreemding van zichzelf, met niet ‘gewoon jezelf zijn’: ontspannen, voor rede vatbaar, in staat tot compassie, zelfs tot liefde, en zelfverantwoordelijk.


Gekrakeel en dialoog

Misschien word ik met zo’n visie op ‘het eigenlijke zelf’ weggezet als geitewollensokkendrager die vertrouwen heeft in het goede, schone en zachte van onze ware aard. Maar de lead (introductie) boven Heijne’s NRC-artikel wijst er in feite ook op dat die boze burgers niet zichzelf zijn: ‘Bedreigde eigenheid, een heftig gevoel van miskenning – het is al jarenlang de grondtoon van de vaderlandse onvrede’. Mijn stelling is dat die eigenheid niet alleen maar van buitenaf wordt bedreigd, door andere groeperingen of individuen, maar vooral ook van binnenuit, door zichzelf. Wie die kant van het tekort aan verbondenheid negeert kan wel een verhaal met een moraal schrijven maar doet geen waarachtige oproep om de hand in eigen boezem te steken.
Prototype 'boze burger' (tillywoodmagazine.nl)
De trend lijkt te zijn dat men zowel anderen als zichzelf beschouwt als ‘vertegenwoordiger van iets’, zoals Heijne en Crawford ook stellen: ‘Wanneer mensen zich meer en meer als de individuele vertegenwoordiger van een algemeenheid gaan zien – een positie, een overtuiging of een identiteit – wordt een werkelijk gevoel van verbondenheid met anderen moeilijk en misschien wel onmogelijk – er staat domweg teveel tussen mensen in (….)’. Dat moet dan die in de knel geraakte, van buitenaf maar ook van binnenuit verwrongen ‘eigenheid’ zijn.
Heijne ziet een oplossing voor het gekrakeel in dialoog, vooral een dialoog waarin de tot nog toe zwijgende, rustige, redelijke, niet-geradicaliseerde meerderheid haar stem alsnog verheft. Maar dat brengt het risico met zich mee dat die zwijgende meerderheid verdwijnt, dat we er straks bijna allemaal flink tegenaan gaan zodat er een meerderheid van boze burgers met bedreigde eigenheden ontstaat. ‘De zachte krachten zullen zeker winnen’, zoals Henriëtte Roland Holst dichtte, maar niet voor niets gaat deze eerste zin van haar beroemde sonnet op de tweede regel verder met ‘in ’t eind’.
Me dunkt dat die zachte krachten pas kunnen winnen als ieder die in zichzelf vindt door te luisteren naar het ‘innig fluisteren’ ervan, en daaraan gevolg te geven in het eigen doen en laten.


Moreel corrupt en barbaars

Na mijn vakantie in Marokko ben ik nog in diverse andere overwegend of gedeeltelijk islamitische landen geweest. Mijn indruk is dat men daar in de eerste plaats betere vrienden met elkaar is, zij het in min of meer eigen kringen, dat men er doorgaans gastvrijer is tegenover bezoekers uit ‘den vreemde’ en dat men er door de bank genomen religieuzer is gebleven, vooral in de zin van geloviger. Verder heeft men er de mooiste naam voor God, die alleen al vanwege de klank een eye opener zou moeten zijn voor de rest van de wereld – en zelfs de mooiste bijnaam, ‘de Barmhartige’.
Helaas heeft zich in die landen sinds Dallas, maar uiteraard ook geheel onafhankelijk van die TV-serie, nog veel meer ongunstige beeldvorming omtrent het Westen voorgedaan. In het dagblad Trouw heeft de schrijfster/columniste Naema Tahir (van Pakistaanse afkomst en getrouwd met de Nederlandse rechtsfilosoof Andreas Kinneging) samengevat hoe het mogelijk is dat gewetensgestoorde extremisten in het Midden-Oosten weerklank vinden bij een deel van de ook daar overwegend stilzwijgende rest van de bevolking, en bij sommige avonturiers uit de eigen regio en uit het Westen.

Naema Tahir
Het komt erop neer dat deze extremisten gebruik maken van een ‘groot Verhaal’ waarin de meerderheid nog steeds gelooft en waarmee criminele bendes geweld rechtvaardigen. Volgens Tahir moeten we proberen, iets te begrijpen van hun beweegredenen - omdat er anders nooit een oplossing komt voor het steeds internationaler wordende conflict. ‘De kern is dat ze het Westen verwerpen,’ aldus Naema Tahir. ‘In hun ogen is het Westen moreel gecorrumpeerd en barbaars. Bovendien richt het Westen veel schade aan in het Oosten. Ze willen voorkomen dat de islamitische wereld net zo wordt en daarom moeten moslims en westerlingen uit elkaar worden gedreven en tegen elkaar worden opgezet.’





In dienst van de Hoogste

Tahir legt deze visie uit aan de hand van de begrippen ‘ik’ en ‘wij’. ‘In een traditionele samenleving zoals de islamitische is het ‘ik’ secundair. Wat ‘ik’ wil, doet er minder toe, want het gaat om het ‘wij’, het geheel. (….) Van jongs af aan wordt de mens geleerd, zijn ‘ik’ en zichzelf in dienst te stellen van het grotere geheel. Wat iemand wil is dus niet zo relevant. Het gaat erom wat je behoort te doen binnen de groep. Zo’n opvoeding leidt ertoe dat ‘ik’ en ‘wij’ niet meer goed los van elkaar te zien zijn. ‘Ik’ wil wat ‘wij’ willen. En ‘wij’ willen wat de religieuze traditie voorschrijft. De psychische inbedding van het individu in de groep en de traditie is dus totaal. Een leven buiten de groep en de traditie is erger dan de dood.’
Stel je eens voor hoe iemand tegen de achtergrond van zo’n conditionering naar het Westen kijkt, oppert Naema Tahir: ‘Inbedding van het individu in de groep en de groep in de religieuze traditie ontbreekt. Iedereen doet waar hij of zij zelf zin in heeft. Het ‘ik’ is dik, het ‘wij’ anorectisch. Dat is anarchie, losbandigheid, afkeer van de weg van God. Met andere woorden: het is de hel op aarde. Wie daar iets tegen onderneemt, is een ridder in dienst van de Hoogste’ (althans in de ogen van een jihadi, wordt hier bedoeld).
Dit beeld is weliswaar ook een stereotype maar als beknopte samenvatting van waar ’t aan schort in de hoofdstroom van de westerse cultuur slaat een en ander de spijker op z’n kop – laten we dat maar eens toegeven. En onafhankelijk van de vraag in hoeverre Naema Tahir het zelf eens is met deze cultuurkritiek zal die zeker overeenstemmen met wat veel salafisten en vrijwel alle jihadi’s denken. Zij verbinden deze denkwijze helaas met gedrag dat we hier tegenwoordig, anders dan vroeger, niet meer als ridderlijk waarderen. Het ergste is dat men met dit denkbeeld afschuwelijke wreedheden meent te kunnen rechtvaardigen, ook in de eigen regio, of je zou moeten zeggen dat het per saldo nog erger is dat het Westen zich in die zelfgecreëerde hel heeft gestort.


De ‘Triumph des Willens’

Maar nu de keerzijde van het verhaal. Die is, voor de zoveelste maal in de menselijke geschiedenis, dat wie het kwaad bestrijdt er deel van wordt, want de strijd is het kwaad. En daarbij gaat het niet eens primair om de strijd tussen mensen of opvattingen maar om de strijd van het ego tegen de kosmische orde – daar komt de onderlinge strijd uit voort. ‘Islam’ betekent ‘overgave’ of ‘onderwerping’, zoals ook Geert Wilders graag memoreert, maar daarbij gaat het geenszins om de overgave of onderwerping van een mens of volk aan een ander mens of volk, maar om de overgave van de mens aan God, de eenwording met de/het Ene, de harmonie met Tao.

De jihad waarom het in mijn ogen gaat is de innerlijke strijd met ons ware Zelf, met God-in-ons, zo u wilt, en als die strijd er eenmaal is moet zij ook worden uitgevochten - met onszelf, uiteraard – òf we moeten alle strijd loslaten. Want in beide gevallen (loslaten of tegen jezelf vechten) kan deze strijd alleen worden beëindigd door overgave van het al dan niet dikke ‘ik’ aan dat wat we eigenlijk zijn, of, wat op hetzelfde neerkomt, de overwinning van dat ware Zelf op het weerbarstige ‘ik’. Pas dan zijn we er weer zoals God ons bedoeld heeft, gewetensvol handelend als dienaar van de Hoogste.
Wie met een kalasjnikov in de hand een juichende positie aanneemt op een pantservoertuig of Toyota-pickup-truck doet in wezen niets anders dan de acteur Larry Hagman die, poserend als JR uit Dallas, met een big smile zijn enorme cowboyhoed afneemt om op de trap van een zojuist geland vliegtuig applaus in ontvangst te nemen. In beide gevallen wordt een kwalijke of zelfs kwaadaardige illusie versleten voor datgene waarom het in ons leven gaat. De Hoogste vraagt niet om strijd met elkaar of uiterlijk heldendom. Want dat is alleen maar, in ’t klein of in ’t groot, de ‘Triumph des Willens’ (graag even googlen als dit niet duidelijk is).



Radicale spiritualiteit

Vanuit dit perspectief zijn veel religieus geïnspireerde activisten niet te radicaal maar juist niet radicaal genoeg! Echt radicale spiritualiteit betekent dat je die innerlijke strijd aangaat in plaats van vermijdt, en je aandacht bijvoorbeeld niet van deze opgave afleidt door een strijd met anderen aan te gaan. Echt religieus zijn houdt in dat je je bewust wordt van je innerlijke conflicten en vervolgens zo diep leert los te laten dat de ontspanning overgave wordt. Dit brengt met zich mee dat je niet meer op anderen projecteert wat je tot dan toe niet van jezelf accepteerde. Zo kun je terugkeren tot je oorspronkelijke natuur, je èchte eigenheid, waarvan je dan ook kunt voelen en weten dat die helemaal niet bedreigd wordt of verdedigd hoeft.
Vanuit ditzelfde perspectief zijn we allemaal vertegenwoordiger van iets algemeens, maar de clou is dat dit ‘iets’ nog veel algemener is dan ‘een positie, een overtuiging of een identiteit’. We zijn allemaal een personificatie van de/het Ene, elk mens is een manier waarop God het óók probeert – en daarin zou kunnen slagen als we ons eigen innerlijke verzet ertegen staken. Het grotere geheel dat gediend moet is niet een familie, clan of andere groep, geen politieke partij of geïnstitutionaliseerde religie, geen vaderland of staat maar het echte grote ene Geheel. En voor deze dienst hoef je geen ridder te zijn, alleen maar echt jezelf.


Een nieuw ‘groot Verhaal’

Misschien is het hier in het Westen tijd voor een nieuw ‘groot Verhaal’. Het bovenstaande zou in dialoog met moslims het grote Verhaal kunnen zijn dat niet tegenóver het islamitische grote Verhaal blijkt te staan maar daar in wezen slechts een andere versie van is. Misschien is dat best duidelijk te maken, maar dan moeten we wel laten merken dat we in het kader van de innerlijke strijd ons huiswerk doen - dat we oprecht bezig zijn te leren, op onze manier het ene grote goddelijke geheel te dienen. Ook al staat de Westerse meerderheid in deze postmoderne tijd niet meer achter het eigen traditionele grote Verhaal, dat trouwens uit het Midden-Oosten stamt.

We kunnen tot elkaar komen als we tot onszelf komen, en zo’n nieuw groot Verhaal zou ons daartoe kunnen inspireren. Zo zou er een authentieke saamhorigheid kunnen groeien die postmoderne, fragmentariserende filosofieën niet aan de man kunnen brengen. Een nieuwe verbondenheid van binnenuit, want het is onontbeerlijk dat we ‘horizontale’ verbondenheid niet verwarren met de nodige ‘verticale’ verbinding, m.a.w. dat we niet alleen maar een beetje begrip tonen en wat onderhandelen om het gezellig te houden (horizontale of sociale verbondenheid) maar er weer leren te zijn vanuit de verbinding met de/het Ene, de verticale lijn met het transcendente en sacrale, de dimensie die ons als persoon te boven gaat. Of, zoals mijn meditatieleraar zei: rechtop en oprecht, ‘open tussen aarde en hemel’.





Oud zeer

Her en der wordt opgeroepen tot dialoog met salafisten, en zelfs met IS. Maar omdat dialogen gemakkelijk uitdraaien op een woordenstrijd tussen het ene en het andere ‘denkende, willende en emotionele ik’ is het nog maar de vraag, in hoeverre hiervan heil valt te verwachten. Zodra luisteren plaats maakt voor de neiging om een ander te overtuigen begint het eigenlijk al mis te gaan. Dat zien we in alle mogelijke kringen, van de kleinste huiselijke kring tot en met wereldwijde conferenties.
De geschiedenis kent een lange traditie van bekeringsijver, vaak hand in hand gaand met kolonialisatie. In zekere zin krijgt het Westen nu eeuwenlang opgebouwd collectief karma op z’n bordje. Dat we hier inmiddels over van alles en nog wat anders denken dan vroeger neemt, zoals we merken, de herinnering aan de kruistochten en ander oud zeer nog niet weg. Wereldlijke en kerkelijke leiders hebben heel wat op hun geweten - ook ten opzichte van (anders-)gelovigen in eigen contreien, trouwens - en het is tijd om dat ruimhartig toe te geven.

Iyad el-Baghdadi (ex-salafist)
Uitgaande van Naema Tahir’s beknopte samenvatting van de (al dan niet extremistische) moslim-visie op het Westen zou je kunnen zeggen dat waar de gemiddelde islamitische mind te weinig van heeft (zelfstandig, onafhankelijk, persoonlijk denken en voelen, individueel verantwoordelijkheidsgevoel) de doorsnee westerse mind in diezelfde kwaliteiten is doorgeschoten, en dus te eigenzinnig en zelfs van God los is geraakt.
Dat is uiteraard weer de zoveelste stereotypering, want wie anderen martelt is net zo goed van God los en ook het Midden-Oosten kent z’n egoïsten, dictators en uitbuiters; overal waar kennis, macht en inkomen te ongelijk zijn verdeeld ligt het boze burgerschap op de loer. En omgekeerd zijn er in het Westen ook genoeg mensen die nog voornamelijk in een soort groepsbewustzijn verkeren en vanuit een onvolwassen, kwetsbaar persoonlijk slaap/waak-bewustzijn leven.



Vrienden worden

We moeten gewoon allemaal wakker worden en de vraag is, welke prijs we zullen moeten betalen voordat we daar zelfs maar toe bereid zijn. Intussen kunnen we het beste ons voordeel doen met de komst van vluchtelingen naar het Westen: zij bieden ons uitgebreid de kans om te oefenen in naastenliefde en barmhartigheid, en in vrijheid, gelijkheid en broederschap - de waarden die ons eeuwenlang zijn voorgehouden door het traditionele grote westerse Verhaal dat we hier zelf steeds minder geloofwaardig vinden, en, sinds de Franse revolutie, door een tweede Verhaal dat we nog steeds moeten waarmaken.

Overgenomen van Twitter-account Iyad el-Baghdadi
Iyad el-Baghdadi (ex-salafist en ex-jihadi-sympathisant, géén familie van de IS-kalief) had gelijk toen hij in november 2015 na de terreuraanvallen in Parijs een bord door de straten droeg met de tekst ‘Het beste antwoord op IS is vrienden worden met een moslim’. Het is ironisch en misschien ook veelbetekenend dat hij op het idee voor deze actie kwam door een leus op de gevel van een Australische instelling voor geestelijke gezondheid en daklozen in problemen, de door Methodisten opgerichte Parramatta Mission. Zo wordt het Westen dan via ingewikkelde omwegen herinnerd aan de eigen roots. Tot die christelijke wortels behoort het inzicht dat het de zachtmoedigen zijn die ‘het aardrijk zullen beërven’.



Literatuur
Marije van Beek: ‘Word vrienden met een moslim. Dan versla je IS’. Interview met Iyad el-Baghdadi in Trouw, 26 november 2015
Bas Heijne: Nederland, niet langer verbonden. NRC-Handelsblad, 2 januari 2016
Naema Tahir: Probeer te begrijpen wat moslimextremist beweegt. Column in Trouw, 26 november 2015